Geschiedenis

Geschiedenis

Dirigent Arian de Visser

Arian de Visser (1980) volgde op 1 september 2009 Ronny de Rooij op als dirigent van de brassband van onze muziekvereniging.

Ontwikkeling als muzikant:

Als kleuter gaf Arian als kleine dirigent al blijk van grote belangstelling en plezier in muziek en op 9-jarige leeftijd begon hij met zijn eerste muzieklessen op orgel. Arian zegt hierover: “Mijn moeder speelde thuis vaak orgel en piano. Ik hield erg van het geluid van het orgel en dan vooral van het grote orgel in de kerk” Na twee jaar bood het orgel weinig uitdaging meer voor hem terwijl de belangstelling voor blaasmuziek toenam. Op zijn twaalfde maakte hij tijdens een open dag van de muziekschool kennis met de blaasinstrumenten. Hij was direct enthousiast over de trompet en begon met de lessen aan de muziekschool. Arian kreeg les van Tiny van de Wijdeven.

Toen Arian lid werd van Brassband Middelburg (Voorheen: Brassband ONDA) maakte hij de overstap van trompet naar cornet. Bij deze vereniging speelde hij alle verschillende cornetpartijen. Als invaller maakte hij uitstapjes naar de trompet en de bugel. De laatste jaren speelt hij de escornet partij. In 2005 speelde Arian als invaller op cornet bij Delta Brass Zeeland en van 2003 tot 2011 speelde Arian bij brassband Excelsior in Kloetinge. Hij is een veelgevraagd invaller bij diverse orkesten in de regio. Door verschillende contacten in het buitenland werd Arian ook regelmatig gevraagd door buitenlandse brassbands. Zo speelde hij al tijdens wedstrijden en concertreizen in Duitsland, Spanje, Oostenrijk, Italië, België en Engeland. Tegenwoordig volgt hij nog regelmatig prive les bij Bart Van Der Strieckt. (Belgie)

Ontwikkeling als dirigent:

In 2003 is Arian, mede op initiatief van de toenmalige dirigent van Brassband Middelburg begonnen aan een cursus directie in Tilburg bij Jan de Laat. Arian zegt hierover: “Een inspirerende man die fantastisch kon vertellen over het vak en waar ik veel van geleerd heb”  Aan de andere kant leerde Arian in de praktijk en van de contacten met goede dirigenten misschien nog wel het meest. Arian: ”Ik heb de afgelopen jaren onder veel verschillende dirigenten gespeeld. Langzaam ontwikkel je dan je eigen aanpak en visie.” Met Brassband Middelburg als examenorkest slaagde Arian met hoge cijfers.

Sinds augustus 2005 is Arian dirigent van Jeugdbrassband Middelburg. Deze jeugdbrassband doet regelmatig mee aan festivals en concoursen en scoort zonder uitzondering hoge punten. Hoogtepunten zijn de twee gewonnen wisselbekers op het Lentefestival van de KNFM in 2007 en 2008 en in 2012 een gedeelde 1e plaats met het hoogste aantal punten van de dag op het Zeeuws Festival in Hulst.

Arian deed de afgelopen jaren ervaring op bij verschillende HAFABRA orkesten. Van 2005 tot 2009 was Arian dirgent bij Fanareorkest Mozart uit Yerseke. Verder dirigeerde hij als vervanger o.m: Fanfare Euterpe Heinkenszand, Apollo Domburg, ONDA Ritthem, Harmonie Kunst en Eer Zierikzee, Brassband Middelburg, Fanfareorkest Euphonia Goes, Excelsior Kloetinge en Ons Genoegen Kapelle (jeugdharmonie interim periode 4 maanden).

We vroegen Arian waar zijn uitdaging ligt. Arian: “Mijn uitdaging is om de brassband fris en sprankelend te laten klinken. De moeilijkheid zit hem daarbij in de juiste muziekkeuze maar vooral in de speelstijl en klankontwikkeling  van het orkest. Daar ben ik veel mee bezig. Tijdens concerten en concoursen probeer ik altijd net dat beetje extra bij de muzikanten naar boven te halen. Ik zoek naar een manier om het collectief boven zichzelf te laten uitstijgen. Dat is mijn ultieme doel.

We vroegen een muzikant een korte omschrijving te geven van de dirigeerstijl van Arian.

“Arian heeft een duidelijke dirigeerstijl. Door zijn vrij grote slag kan je zijn bewegingen vanuit de hele band goed zien. Daarnaast geeft hij helder commentaar en gerichte aanwijzingen, waardoor hij zijn visie op de muzikanten overbrengt en de band zo goed mogelijk laat klinken. Tijdens de repetities wordt er altijd in een stevig tempo gewerkt maar er is ook altijd ruimte voor een grap en een grol!”

Dirigent Ronny de Rooij

Ronny de Rooy heeft OKK van 1976 tot 2009 gedirigeerd. Daarna heeft Arian de Visser het stokje overgenomen.Door de ere-voorzitter van de KNFM Zeeland, Kees Schout, is hem bij zijn afscheid als dirigent de internationaal erkende CISM medaille van verdienste uitgereikt. Na al die jaren heeft Ronny niet simpelweg de deur achter zich dicht getrokken. Hij valt nog regelmatig in, maar dan als cornettist.

Ronny de Rooij is op 2 februari 1953 geboren te Oost-Souburg.

Aan moederszijde werd hem de muziek met een enorme paplepel toegediend. Op de lagere school in de 1e klas reeds begonnen met het leren van het muziekschrift. Dat ging spelenderwijs met behulp van een blokfluit. (Ja, spelenderwijs weliswaar, maar daar kwam ook weer een stukje paplepel aan te pas, met stimulans, want soms na een paar regels foutloos oplezen van de noten, werd hem wel eens een dobbeltje toegeschoven, maar goed.)

Na twee jaar, na drie blokfluitboekjes van Gerrit Vellekoop te hebben uitgeblazen, werd de plaatselijke muziekvereniging opgezocht, met de bedoeling om daar lid van te worden, maar tevens met de bedoeling om klarinet te gaan spelen. Dit pakte iets anders uit.
Welnu, dat lid worden lukte aardig, en geschiedde op 21 september 1961. Dat andere ging even niet door. Hij kwam terecht bij de fanfare “Vlijt en Volharding”, en ja ….. u snapt het al. Daar hadden ze helemaal geen klarinetten. Er werd hem een cornet in de handen geduwd en beretrots liep hij ermee naar huis. De cornet is hij altijd trouw gebleven.

Na het onder de knie krijgen van de vingerzetting en het leren aanblazen van de cornet ging het steeds maar bergopwaarts. Bezocht later heel wat solistenconcoursen. Zowel als solist, als in duetten met zowel broer als zus, bevatte de prijs dikwijls het predicaat: “met lof”.
Dit mondde uit in de uitzending, via de KNF-hoofd-jury in die tijd, Henk van Lijnschooten, naar het “International Music Camp” in “The International Peace Gardens”, gelegen op de grens tussen Manitoba (Canada) en North Dakota (USA) in 1973, om daar twee weken door te brengen. Dat hield hoofdzakelijk cornet spelen in. Alleen (privé-les) , in de trompet-sectie of in het ongeveer 120 jonge gasten tellende harmonie-orkest. Eén van de vier orkesten, want er verbleven daar rond de 500 kinderen per week.
Met een enorme ervaring rijker en in de wetenschap dat er in het “Camp”ook een directie-cursus gegeven werd keerde hij terug. Door wat contact te houden met Dr. Utgaard (directeur van het “Camp”) en dat ging in die tijd per brief of telefoon, kreeg hij het voor elkaar om in hetzelfde “Camp” in 1975 nog een keer te mogen verblijven. Nu voor een periode van vier weken, voor het volgen van de directie-cursus. ” Ja, dat was werkelijk een stoomcursus”, zegt hij zelf, ” maar”, voegt hij eraan toe “daar teer ik nu na al die jaren eigenlijk nog op”.
Later heeft hij in Nederland ook nog wel een HaFaBra-directie-cursus gevolgd bij Dhr. Jaap Koops, toenmalig dirigent van de Marinierskapel, maar echter veel toevoegen deed dat niet, behalve dan weer wel verschrikkelijk leuke anekdotes en praktijkvoorbeelden vanuit de kapel zelf.
Echt heel leuk, mede ook door z’n reisgezel Jack de Boo van Uijen. Bijzonder goede en aangename tijd, dat wel, laat hij weten, maar niet echt wetenschappelijk veel opgestoken.

Tot zover zijn voorgeschiedenis.

Ronny is bij ons gekomen na de zomervakantie van 1976. Hij kwam eerst alleen. Later (1980) nam hij z’n vrouw Bettie mee en nog later kwamen ze met z’n vijven. Vader (dirigent), moeder (Es-Bas) en de drie zoons Bram, Ko en Piet (allen cornet). “Dat was een leuke tijd” , zegt hij zelf, “met z’n allen naar de repetitie in Wasschappel”. Maar zulke tijden gaan voorbij. Zoon 2 gaat studeren, zoon 1 gaat studeren en zoon 3 stopt er gewoon mee. Zo gaat dat tegenwoordig. Betty speelt nog altijd mee en ook Ronny valt regelmatig in als cornettist

 

———————————————————————————————————-

De eeuw van mijn OKK

Music was my first love, and it will be my last
Music of the future and music of the past
To live without my music would be impossible to do
In this world of troubles, my music pulls me through
John Miles

Het begin

Toen het legendarische “viegeschip” op de dijk
liep, in de stormachtige nacht van 26 november
1887, was het dijkwerkerszoontje Arjaan
Huibregtse er als de kippen bij. “Queen of the
Isles” was de lyrische naam van het door de
bemanning verlaten en alhier dus onverwijld van
zijn vracht vijgen en amandelen verloste
pechschip. Het was Arjaan niet kwalijk te nemen
dat hij zo’n naam niet correct uitsprak. Maar een
bijnaam heb je zó in Westkapelle en zodoende
ging Arjaan sedertdien als “Ku-êên” door het
leven.

Of de vijgebootsong nog in zijn hoofd zat,
vertellen de kronieken niet, maar precies 21 jaar
later liep Ku-êên weer voorop toen deze keer
geen schip maar de muziek op de dijk aanlandde
en werd hij de eerste vaandeldrager van het
fanfarekorps OKK.

En zo heel erg logisch was dat in die dagen nog
niet, een dijkwerker die lid werd van de muziek.
In die kringen had je heel wat andere zorgen en
kon je je dergelijke frivoliteiten niet veroorloven.
De meesten van het groepje mannen dat op 26
november 1908 de oprichting van OKK uitriep,
behoorden dan ook tot de gegoede burgerij. De
bekendsten onder hen waren Marinus Dieleman,
onderwijzer, Lou Minderhoud de goudsmid,
L.M. Verheul, opzichter kustverlichting en ook
Jakob Roelse, toen nog molenaarsknecht maar
vol ambitie en later zelfstandig molenaar op “De
Noorman”.

De naam voor de vereniging hadden ze rap bedacht:
Oefening Kweekt Kunst, niet echt
origineel en naar de geest van die tijd een beetje
moraliserend. Wel dezelfde naam als die van de
kort daarvoor ter ziele gegane zangvereniging.
Het zal geen toeval geweest zijn dat veel van de
eerste muzikanten daarvòòr al actief waren in die
zangvereniging OKK.

De eerste muzikale schreden 1908-1920
Eindelijk was het er dan van gekomen, een fanfare
in Westkapelle. Dat raakte tijd ook, want
overal elders hadden veel muziekkorpsen in de
jaren daarvoor al het licht gezien, ook op
Walcheren. Aan gebrek aan enthousiasme lag het
niet en toen ze eenmaal begonnen waren ging het
snel. Al na enkele maanden repeteren in de
openbare school onder leiding van de tot
dirigent benoemde kerkorganist Hendrik de Vos,
kon OKK zich aan de plaatselijke bevolking
presenteren. De muzikale rondgang startte bij de
hofstede achter de toren en de verraste
Westkapellaars hoorden de Recrutenmars steeds
dichterbij komen. De wijs van deze beginnersmars
zou de toehoorders nog lang heugen want
iets anders had OKK nog niet te bieden. Ons
korps had dus al een paar keer “da capo” moeten
maken voordat de dorpsbebouwing goed en wel
was bereikt. En het hield maar niet op. Niet
iedereen op het dorp was even toegankelijk voor
de nieuwe culturele ontwikkelingen. Een de
andere dag nog onthutste vrouw stamelde: “ ‘k
zag Lou van Kee van Janse deur straete komme
mee een fluitje en ik vloog van schaemte nih de
geite”.

Maar de tonen waren gezet. OKK werd al ras een
echte fanfare van een redelijk muzikaal niveau
en met een uitgebreid repertoire. En daar hoorde
nog meer bij. Als je De Dijk mag geloven,
dansen muzikanten niet maar hangen ze liever
aan de bar. Ook toen al. De drankvrije school
kon nog net aan volstaan voor de repetities maar
voor de uitvoeringen verhuisde OKK omstreeks
1910 liever naar “Het Kasteel van Batavia”. De
dirigent had daar minder mee op. Als kerkorganist
kon hij zich bezwaarlijk bekeren tot
“Wein, Weib und Gesang” en OKK moest op
zoek naar een nieuwe directeur. Die werd gevonden
in M.A. Romijn, onderwijzer te Domburg
en aldaar ook directeur van het al langer
bestaande Apollo.

Met hem ging OKK deelnemen aan muzikale
manifestaties buiten het dorp. Een foto uit 1912
toont OKK voor het station te Vlissingen op weg
naar een festival te Goes. Zo’n 25 mannen, de
meesten in chique burgerpakken, weinigen met
boezeroen en pilo buis, iedereen wel al voorzien
van een nieuwe uniformpet.

De grote oorlog van 1914-1918 ging, ook al
waren we neutraal, zeker niet ongemerkt aan
Westkapelle en OKK voorbij. De mobilisatie
bracht veel militairen in het dorp. Ook waren er
oorlogsvluchtelingen uit België. Op de dijk kon
je soms het kanonnengedaver van het WestVlaamse
slagveld horen. Een op de dijk ontplofte
zeemijn kostte 9 personen het leven. In
zulke omstandigheden stond het sociale leven en
ook de muziek op een laag pitje. Toch zouden
die jaren bepalend zijn voor OKK. Onder de in
Westkapelle ingekwartierde militairen was ook
een begaafd musicus, die ze in 1915 wisten te
strikken als dirigent van het orkest. Piet de Rooij
was zijn naam en hij zou ruim 40 jaar zijn zware
stempel gaan drukken op de muzikale verrichtingen
en het imago van OKK.

Ups en downs in de jaren 20 en 30
Na de nogal deprimerende eerste decennia van
de 20e eeuw werd de wereld overspoeld door een
golf van optimisme, technologische vooruitgang
en culturele ontwikkelingen. OKK dreef daarop
mee; het had zijn plaats in de Westkappelse gemeenschap
verworven en speelde met zijn concerten,
rondgangen, uitvoeringen en muzikale
vorming een toonaangevende partij in het
sociaal-culturele leven. Een trotse fanfare die
Westkapelle in en buiten de provincie vertegenwoordigde.
Naar de Franse oorsprong van het
fanfarekorps had ook het repertoire overwegend
Franse tintjes. De programma’s van de jaarlijkse
uitvoeringen, bij toerbeurt gehouden in “Het
Kasteel van Batavia” en “Het Koffiehuis” vermelden
titels als Les Saltimbanques (Strauwen),
Une Soirée d’ Automne aux Ardennes (Govaert),
Ouverture Antigone (Rousseau), La Perle du Lac
(Delbeque) en Les Dragons de Vilarts (Maillart).
En toen ook al de eerste arrangementen en
marsen van Piet de Rooij zelf: Majoor Goldymarsch,
Souvenir de Westkapelle, Jubeltonen en
later The Flushing Pier. En ook toen al was
duidelijk dat OKK niet alleen muzikale talenten
in zijn gelederen had, maar ook gedreven en
bedreven acteurs. Altijd werd de muziek gecombineerd
met toneelstukken of sketches en dat
zou lange tijd een succesformule blijven.
Aan het positivisme kwam een eind door de
economische crisis, ingeluid in 1929. Die ging
vanzelfsprekend ook niet zonder zorgen aan
OKK voorbij. De grootste problemen van die tijd
zijn de financiële nood van de vereniging en het
dalend aantal leden. In 1929 had OKK nog ruim
ƒ 200 in kas, in 1933 is dat nog slechts ƒ 60,59.
Telkens verzuchten de voorzitter (toen “meester”
P. de Vos en de penningmeester (nog steeds
Jakob Roelse) al het mogelijke te doen en te
trachten de inkomsten te verhogen door
bazaravond of iets dergelijks”. Dankzij een bazar
en bijdragen van de burgemeester en de dokter is
er in 1933/1934 inderdaad een kleine financiële
opleving. De penningmeester kan onder applaus
een kasstand van ƒ 767 melden. Maar daarna
gaat het weer gestaag bergafwaarts en niet alleen
financieel. Ondanks een zekere zelfgenoegzaamheid
bij het bestuur gaat het niet echt goed
met OKK: geld voor instrumenten is er niet, van
deelname aan concoursen wordt afgezien
vanwege de geringe bezetting en de hoge
reiskosten, zelfs concerten worden te duur.
Kennelijk is het dameskoor beter bij kas want
dat is bereid de kosten van coulissen geheel voor
eigen rekening te nemen in plaats van die met
OKK te delen. Tot overmaat van ramp gaat de
gemeente moeilijk doen over repetities in de
school omdat de kosten van de verlichting te
hoog worden. In 1936 is het zo krap geworden
dat om te bezuinigen repetities worden geschrapt
en dat zelfs de generale repetitie voor de uitvoering
niet kan doorgaan vanwege “het hoge
cijfer directeur”. Ook de donateurs laten het
afweten, “mogelijk wel door de minder gunstige
tijdsomstandigheden”, zoals de secretaris meldt.
Gelukkig zijn er 4 lichtpuntjes: de gemeente
zorgt in 1935 voor 4 carbidlampen, want niet
alleen bij repetities maar vooral bij de
rondgangen is de verlichting steeds een onderwerp
van grote zorg en geweeklaag. In dit opzicht
is er na 100 jaar weinig nieuws onder de
zon. De ambitie van de directeur is groter dan
die van de muzikanten, wat weer leidt tot
klachten over de zwaarte van de nummers en
zelfs afzeggingen van leden. Veel kommer en
kwel en gemopper en gezeur over van alles en
nog wat. Zo deugt de verlichting niet, de grote
trom is te zwaar en er woedt een zware discussie
over “de houding van de leerling A. Huibregtse,
die de laatste weken zo weinig animo toont”. Hij
wordt dan ook gesommeerd op de repetities
aanwezig te zijn “daar hij anders het instrument
dat hij onder zijn beheer heeft zal moeten inleveren”.
Ook anderen moeten overigens steeds
worden aangespoord naar de repetities te komen,
zeker als de 2e dirigent, Jan Brasser, de leiding
heeft.

Toch zijn er in de laatste jaren voor de oorlog
ondanks de financiële nood veel muzikale
activiteiten en wordt OKK steeds belangrijker
als er in de dorpsgemeenschap iets te vieren valt,
zoals “het huwelijksfeest van het vorstenhuis” in
1937.

Storm op til

Financiële nood, de bezetting van het korps en
de kwaliteit van de instrumenten, dat zijn de
zaken die OKK in de laatste jaren voor de oorlog
in beroering brengen. Het lijkt erop of de
politieke en maatschappelijke spanningen en het
naderend onheil voor OKK niet bestaan. In het
repertoire en de huishoudelijke zaken zien we
eerder een soort van optimisme. Op het
programma staan nummers als de Lenteouverture
(Cerfontaine), een Fantasie humoristique
(Klein) en Flying Dutchmen still going
strong (Houet) en opgevoerd worden “komische
duetten voor 2 heren” als De Boemeltweeling en
Het mislukte consult.

In 1939 was de contributie verhoogd tot een
dubbeltje per week. Op 21 maart 1940 besluiten
we om al in september een bazar te houden
omdat vanaf oktober 1940 de Maatschappij De
Schelde de school voor een deel in beslag zou
nemen. En gelukkig konden we ook weer eens
deelnemen aan het pinksterconcours. Het zou in
Middelburg zijn, dichtbij huis en dus weinig
reiskosten. De vrijdag voor Pinksteren, op 10
mei zou het oorlogsgeweld ook over Zeeland
losbarsten; de vrijdag na Pinksteren werd voor
Middelburg “vreselijke vrijdag”.
In de eerste oorlogsjaren gaan de verenigingsactiviteiten
“gewoon” verder, al zijn er geen
uitvoeringen meer wegens “zware omstandigheden”.
In 1942 worden nog 3 mensen als lid
toegelaten en kan OKK nieuwe instrumenten
aanschaffen. Maar na een vergadering op 14
april 1943 wordt het stil. Onder de dodelijke
slachtoffers van de bombardementen van oktober
1944 was één OKK-muzikant en ook gingen de
meeste instrumenten en de gehele muziekbibliotheek
verloren.

Wederopbouw en bloei in de jaren 50 en 60
Als de dijk dicht is beginnen enkele bestuursleden
al snel weer te denken aan de muziek.
Maar niet iedereen kan in de ontreddering van
die tijd al direct het nodige enthousiasme
opbrengen. Een bestuursvergadering in augustus
1946 eindigt nog in mineur met weinig hoop op
voortzetting van de vereniging. Maar toch is er
iets in beweging gebracht. Voor zover ze het nog
niet wisten, worden de oude leden via de dorpsomroeper
uitgenodigd zich te melden. En er
komt hulp van buiten, van de bond en andere
verenigingen. De grote animator is Jons Viruly,
een oud-dorpsgenoot en verbonden aan het
weekblad De Groene Amsterdammer. Een actie
via dit blad levert genoeg geld op voor zo’n 30
nieuwe instrumenten. Vanaf 1947 begint OKK
weer langzaam op toeren en op toon te komen en
is van mineur naar majeur gemoduleerd.
In de jaren vijftig bloeit en bruist het verenigingsleven
in Westkapelle. Ook met OKK gaat
het crescendo met Piet Minderhoud als voorzitter.
Onder auspiciën van de Stichting “Westkapelle
Herrijst” werken alle verenigingen
samen aan de bouw van een nieuw verenigingsgebouw
en een muziektent. Architect is het
OKK-bestuurslid Willem Roelse, die veel
kunstzinnige details zelf voor zijn rekening
neemt.

Regelmatig nemen we weer deel aan concoursen.
Onder een bezielende leiding van Piet de Rooij
gaat het muzikale peil omhoog. In 1952 behalen
we een eerste prijs met de beker. In 1953 mag
OKK zelf het concours organiseren in de nieuwe
muziektent op de Markt. De verwachtingen over
onze eigen muzikale prestaties zijn hoog gespannen
maar het resultaat valt wat tegen. De
dirigent heeft met zijn nummerkeuze (Ouverture
Rembrandt) zijn orkest overschat en ook
zichzelf, zo oordeelt de jury.
Toch zijn de toppen nog lang niet bereikt. OKK
weet jong en oud aan zich te binden en in1956
presenteert een jeugdorkest van meer dan 30
leerlingen zich. Niet minder belangrijk is dat
voor het eerst ook meisjes mee gaan blazen. En
slaan, want we hebben nu niet alleen blazers
maar ook “tamboers”, zoals slagwerkers toen
nog heetten.

Op het repertoire van de jaren vijftig staan
karakterstukken als Roodkapje in het Bos
(Wiest) en In een Chinese Tempeltuin (Kétèlby).
Operettemuziek en Wiener walsen zijn dan erg
populair en ook OKK is daar dol op: Die
Czárdasfürstin (Kalman), Wiener Praterleben
(Translateur), Hochzeit der Winde (Hall),
Münchner Kindl (Komzàk), Wiener Mädel
(Ziehrer), Der Vogelhändler (Zeller), Die Lustige
Witwe (Léhar). En zoals Alfred Hitchcock zichzelf
altijd even liet zien in zijn films, zo doet Piet
de Rooij dat via OKK. Geen uitvoering of
concert zonder een schakel uit zijn marsenketen:
Gezagvoerder Viruly, Nieuw Walcheren,
Westkapelle-mars, De Casembroot-mars, De
Campveersche toren, Zeeland Presenteert, Met
Vrij en Blij op stap en voor het eerst ook zijn
Westkapelle-potpourri van “Ouwerwesse”.

OKK overtreft zichzelf met de jubileumuitvoering
van 1958, waarin het met eigen mensen,
decors en kostuums de operette De Boemelbaron
van Walter Kollo voor het voetlicht brengt.
OKK is een grote fanfare geworden met aanzien
in de gehele provincie. Regelmatig eerste prijzen
op concoursen en in 1960 zelfs promotie naar de
ere-afdeling.

Daarnaast is er de Boerenkapel met Jan Cijsouw
als dirigent, die in Westkappelse klederdracht
overal festiviteiten opluistert, met feestelijke
liedjes en Egerländer walsjes. Een groot succes
zijn de optredens voor de badgasten in het toen
nog chique Hotel Brittannia in Vlissingen. Onze
markante bandleider kreeg Brittannia wel plat
door de nummers op zijn geheel eigen wijze aan
te kondigen: “Dames en heren, de boerenkapel
gaat nu een walsje voor u spelen; het heet ‘Nie
vergessen’ en dat betekent ‘Vergis je niet !’ . ”
Financiële zorgen kent OKK nauwelijks meer
nadat in 1961 begonnen wordt met het inzamelen
van oud papier. Daardoor wordt het eindelijk
mogelijk de muzikanten in uniform te steken in
plaats van alleen maar een pet. Totale uniformkosten
in 1961: ƒ 8.648, 35. Bij de uniformen
behoort ook een nieuw vaandel maar zo’n
militair aandoend attribuut geraakt al snel uit de
gratie.

Onder de muzikanten zijn zoveel tamboers dat er
geleidelijk aan gesproken kan worden van een
aparte drumband. Nadat in 1964 M.C. Vuijk,
marineman uit Vlissingen, als instructeur is
aangetrokken krijgt de drumband vaste vormen
met een heuse tambour-maître en succesvolle
deelname aan marsconcoursen.

Zo halverwege de jaren zestig keert het tij. In
1966 stapt Piet de Rooij na meer dan 40 jaar van
het dirigentenbankje. Vervanging gaat moeizaam
en de wisselende dirigenten daarna (W.H.G.
Timmermans, J. Boon) kunnen de malaise niet
keren. We boeken matige concoursresultaten en
kampen met een ontoereikende bezetting.
Ingrijpender is dat overal de wereld en de
mentaliteit danig beginnen te veranderen. In
Westkapelle wat later dan in San Francisco,
maar toch onafwendbaar en duidelijk. Jongeren
hebben andere interesses dan het fanfarekorps en
het ledenaantal en de publieke belangstelling
lopen drastisch terug. Men wijt het vooral aan de
televisie maar de blaasmuziek verliest toch
vooral de aansluiting op muzikaal gebied. OKK
lijkt al de maatschappelijke en muzikale
omwentelingen nauwelijks te beseffen al oppert
een jonge saxofonist nog wel om “swingmarsen”
op het programma te zetten. Maar het enige
weerwerk dat we bieden zit in nummers als Vous
Permittez Monsieur (Adamo), Teenager Fantasie
(Everaarts) en Puppet on a String
(Martin/Coulter). Tegen de Beatles en de Stones
is dat een ongelijke strijd, laat staan tegen Bob
Dylan en Jimy Hendrix.

Nieuwe wegen na 1970

Amateurmuziek, dat was altijd fanfare of harmonie.
Een uit Engeland overgewaaid fenomeen,
de brassband, gaat deze vanzelfsprekendheid
doorbreken. Op instigatie van de in 1971 aangetreden
dirigent Piet Wisse verandert ook OKK
zich van een fanfare in een brassband. Deze toch
wel ingrijpende ommezwaai voltrekt zich bijna
geruisloos en zonder dat daar een discussie in de
ledenvergadering aan wordt gewijd. De voordelen
zijn duidelijk: een andere, meer bij de tijd
passende sound en belangrijker nog, we kunnen
in een tijd van ledenschaarste volstaan met een
kleinere bezetting zonder saxofoons.
De gelegenheid wordt aangegrepen om een
geheel nieuw instrumentarium aan te schaffen,
natuurlijk ook geënt op de brassbandbezetting.
Geen saxen en bugels meer maar cornetten,
schuif- in plaats van ventieltrombones en de
tuba’s heten nu euphoniums. Niet meer van het
vertrouwde merk Schenkelaars maar nu
natuurlijk het Engelse Besson. Tegelijkertijd een
drastische verandering van het repertoire want
onze voor een fanfarebezetting geschreven
muziek is nu niet meer goed speelbaar. Op het
programma overheerst nu de muziek van de
overzijde van de Noordzee: The Young in Heart
(Ball), The Pirates of Penzance (Sullivan), Suite
Three Days (Rimmer), Fantasy on British
Seasongs (Langford) en ook, in de stijl van de
Salvation Army-brassbands, de Engelse hymnes
als Sandom en Nearer my God to Thee.

In 1973 spreekt voorzitter Minderhoud de
hoopvolle verwachting uit dat we een moeilijke
periode te boven komen en inderdaad is met de
brassband weer een opgaande lijn ingezet die
doorzet tot in de jaren negentig.

Het duidelijke muzikale stempel komt van
Ronny de Rooij, die vanaf 1976 als dirigent de
muzikale lijnen uitzet. Onder zijn leiding weten
we een evenwicht te bereiken tussen de muzikale
prestaties en gezelligheid en saamhorigheid. Het
repertoire wordt gemoderniseerd en de nadruk
ligt nu op speciaal voor brassband geschreven
eigentijdse muziek van Engelse, Nederlandse en
Belgische componisten, als Philip Sparke, Jan en
Jakob de Haan en Jan van der Roost. Ook de
populariteit van musical en film is in onze
programma’s terug te vinden, evenals voor
brassband gearrangeerde popmuziek. De
muzikale prestaties zijn wisselend, maar toch
weten we de nodige successen te boeken. Door
eerste prijzen bij concoursen selecteren we ons
voor en behalen we een paar keer het landelijke
KNF-kampioenschap in de basisklasse met
optredens in het Amphion-theater in Doetinchem
en Musis Sacrem in Arnhem.

Onze muziek spreekt vooral in de jaren tachtig
en negentig weer veel mensen aan en dat toont
zich door een grote publieke belangstelling voor
onze optredens, vooral de uitvoeringen, waarvoor
één avond niet meer volstaat. Een grote
publiekstrekker blijft traditioneel de combinatie
van muziek met toneel en revue. Ware succesnummers
zijn de geheel eigen jubileumproducties
“Uit het leven van een tachtigjarige”
in 1988 en “OKK goes USA” in 1998.

Vanaf het eind van de jaren negentig krijgen we
helaas weer te maken met een neergaande trend.
Jongeren weten we weer steeds minder te
bereiken en als we ze al hebben raken we ze
weer snel kwijt doordat ze elders gaan studeren
of werken. Maar er is gelukkig nu ook een ander
muzikaal spoor. De drumband heeft zich
ontwikkeld tot een veelzijdig en eigentijds slagwerkensemble,
met niet alleen meer trommels
maar een uitgebreid slagwerkinstrumentarium,
waaronder melodische instrumenten als
xylofoon, klokkenspel en marimba. De drijvende
kracht achter de slagwerkgroep is Cora Knuijt,
die met haar muzikale talenten en haar gedrevenheid
het niveau opstuwt en ook het publiek
aangenaam weet te verrassen.

OKK wat nu?

“Kleiner Mann, was nun ?”, die vraag zou OKK
zich, in navolging van de schrijver Hans Fallada,
na 100 jaar kunnen stellen.

OKK zag het licht aan het begin van de 20e
eeuw, in hetzelfde jaar als de voetbalclub
Feijenoord; het jaar ook waarin andere muzikale
grootheden als Lionel Hampton, Herbert von
Karajan, Cor Lemaire en Olivier Messiaen
werden geboren. Al met al geen verkeerde
lichting.

Westkapelle was in dat geboortejaar nog een
geïsoleerd en armoedig dijkwerkersdorp, waarin
de tijd scheen te hebben stilgestaan. De eeuw die
volgde, de eeuw dus van OKK, werd de
bloedigste uit de geschiedenis en bracht de
wereld meer en grotere veranderingen dan hij
had gezien in de voorafgaande 10 eeuwen
samen. Westkapelle en OKK hebben van dat
alles ruim hun deel gekregen, in de goede zowel
als in de kwade dagen.

Opgaan, blinken en verzinken en dat keer op
keer herhaald als de Recrutenmars, daarmee kun
je de eeuw van OKK samenvatten. En of dat de
volgende 100 jaar weer gaat lukken ….? We
mogen rekenen op nòg een eeuw OKK, maar
niet al te vast.

We kunnen er niet omheen dat, nu we aan de
vooravond van onze 100e verjaardag staan, een
zekere mineurstemming overheerst. Het sociaalculturele
klimaat in Westkapelle lijdt onder de
vergrijzing en maatschappelijke ontwikkelingen
en ook OKK lijkt een beetje weg te kwijnen.
Vlak voor het begin van het jubileumjaar
verloren we bovendien 3 actieve en betrokken
leden: Arjaan Kaland, Jaap Westerbeke en
Dingeman Pouwelse overleden kort na elkaar.
De karavaan trekt verder, ook die van OKK,
optimistisch maar vervuld van melancholie,
zoals de stemming in het gedicht “Fanfarecorps”
van M. Vasalis:

De lucht scheen blinkend door de blaren,
bleek en volmaakt als glas geslepen
Met vaste manlijke gebaren
werden de horens vastgegrepen,
en luidkeels zonder enig schromen
spoot de muziek tussen de bomen;
helfdhaftig, trots. Een onverbloemde
voor elk verstaanbare muziek
die aan het ademloos publiek
ieder gevoel met name noemde.
Een warm en onverwacht verdriet,
eerbied voor de gewoonste dingen,
neiging om hardop mee te zingen,
en dan te huilen om dit lied
ontstond in mijn verwend gemoed.
Ik voelde me bedroefd en goed.

Jan Kaland